In DE FLESSENLOODS vindt u namen en kenmerken van gebruiksflessen.


 

DE FLESSENLOODS
-Een uitgave van De Oude Flesch-

Niets van onderstaande publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze ook en evenmin in een retrieval system worden opgeslagen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van "De Oude Flesch".

EEN WOORD VOORAF

Op 6 juni 1979 werd in het Bols Museum te Nieuw-Vennep de verzamelaars-vereniging “De Oude Flesch” opgericht. In de daarna volgende jaren maakte de vereniging een gestage groei door tot ruim 200 leden in 2009.
Al vrij spoedig bleek, dat in de Nederlandstalige lectuur nauwelijks woorden te vinden waren voor specifieke gebruiksflessen. Gemakshalve werden beschrijving van flessen bij b.v. bodemvondsten of in museumcollecties afgedaan met woorden als “ronde fles”, “vierkante fles”, “fles met lange hals”, etc. In de begintijd van de vereniging werden vooral Engelse termen overgenomen, zoals bijvoorbeeld ladies leg, onion, of case gin.
Er bestond er behoefte aan een meer vaderlandse benadering. In 1984 stelde het bestuur een Commissie Benamingen in, bestaande uit Anne Aalders, Bert Arendonk, Bert de Jong, Peter Vermeulen en Johan Visser. Zij kwam - na waarlijk noeste inspanning - in 1988 met haar bekende publicatie “De Flessenloods”. Een eenvoudig gestencilde uitgave met zwart/wit foto’s, die soms niet erg duidelijk waren. Maar wel met een schat aan informatie en met veelal echt Nederlandse benamingen. Een voltreffer! De vraag naar dit boekwerkje bleek zo groot, dat het tweemaal moest worden bijgemaakt.
Met het uitbrengen van een eigen verenigingswebsite ontstond de behoefte De Flessenloods ook digitaal uit brengen. Een tweede Commissie Benamingen (Bert de Jong, Wim Snikkers en Peter Vermeulen) zorgde aan het begin van dit millennium voor een herziene uitgave, speciaal voor publicatie op de website. Men beperkte zich daarbij tot herziening van het deel met de beschrijving van de flessen en de daarbij behorende foto’s.
Het aantal “hits” op de gedigitaliseerde Flessenloods sloeg waarlijk alle verwachtingen. Steeds meer zien we nu dan ook de juiste namen opduiken in (wetenschappelijke) publicaties, bij opgravingsactiviteiten en zelfs op websites, zoals die van E-bay en Marktplaats.
Met het 3e lustrum in het vizier besloot het bestuur de publicatie te verbeteren en uit te breiden en te bezien of uitgifte in een boekvorm met kleurenfoto’s mogelijk was. Daartoe werd de Commissie Benamingen III ingesteld (Bert de Jong,
Jan Ledegang, Peter Vermeulen en Harry Wagter). Naast het herzien van de website versie werd ook het vroegere hoofdstuk Kenmerken herschreven en deels uitgebreid. Verder werd het grootste deel van de nog voorkomende Engelse terminologie vervangen, terwijl anderzijds de gekunstelde Nederlandse vertalingen zoals bijvoorbeeld damesbeen, blaar, of hamer achterwege gelaten werden.
Een altijd durende discussie is ongetwijfeld: wanneer nemen we een glazen voorwerp op in De Flessenloods? Op het eerste gezicht lijkt dat eenvoudig: een fles is immers een fles.
Dat klopt: glazen voorwerpen als een strijkglas, een glazen deurknop, een pianopoot steun, een deurstopper zijn ontegenzeggelijk geen flessen. Zij komen er dus niet in.
Maar wat dacht u van een blusgranaat: een hol flesvorming voorwerp met erin een vuurwerende vloeistof? Het doel was met een welgemikte worp een open haardbrand in de kiem te smoren. En zo zijn er meer holle glazen gebruiksvoorwerpen in de wereld te vinden. De commissie heeft hier het “voordeel schutter” gehanteerd en deze voorwerpen ook opgenomen. Helemaal consequent is men daarbij nooit. Het zij ons vergeven.
Het hoofdstuk Kenmerken beschrijft - naast de kenmerken, die op een fles zijn te vinden - ook beknopt de voornaamste productiemethoden. Helaas is met het groeien van de belangstelling voor antieke gebruiksflessen de waarde ervan navenant gestegen en is het lonend geworden nagemaakte producten op de markt te brengen. De paragraaf “Echt of Namaak” houdt u wellicht op het goede spoor.
Tenslotte nog dit: in dit boekje/deze site zijn in de loop van 25 jaar honderden en honderden uren werk gaan zitten. Gekozen is echter voor een leesbaar geheel en niet voor een meer wetenschappelijke aanpak met zijn talloze voetnoten.
Wij wensen u veel lees- en kijkplezier en hopen dat dit boekje/deze site een nuttig naslagwerk voor u vormt.

 Namens de commissie, Peter Vermeulen (ere-voorzitter)

ga terug naar de startpagina

D      = Duits
Eng  = Engels
Fr     = Frans
It      = Italiaans
Ned = Nederlands
Rom = Romeins
Sp     = Spaans
(f)     = benaming afgeleid van een firma naam
(g)    = benaming afgeleid van de wijze waarop de fles gebruikt werd
(i)     = benaming afgeleid van de inhoud van de fles
(o)    = benaming afgeleid van de ontwerper van de fles
(m)   = benaming afgeleid van het model van de fles of een deel daarvan
(hist)= historische term
(nv)  = niet verklaarde benaming

KLIK OP DE FOTO'S VOOR EEN VERGROTING.

ACHTJE (m):

Fles met achtzijdig lichaam, overgaand in ronde schouders en hals: zelfstandige vorm die tot in de 17e eeuw terug te vinden is.

ADVOCAATFLES (hist/i)

Fles met wijde opening om de dikke, stroperige advocaat gemakkelijk uit te kunnen schenken.

ALABASTRON (Rom/hist):
Een met oortjes uitgerust langwerpig flesje, reeds in gebruik in het oude Egypte, maar vooral in het latere Romeinse Rijk.

ALE FLES (hist) (i):

Donkere dikke cilinderfles (pulachtig model). Engelse afwerking. Gebruikt voor ale (Britse biersoort)

ALHAMBRAFLES (m):

In de 20e eeuw gebruikt voor muscadetwijn: speciaal ontworpen voor Fa. Wed. G. Oud te Purmerend, door de ontwerper Jac. Jongert.

AMFORA (m):

Fles naar model van de oude Griekse en Romeinse kruiken (aardewerk, nauwe hals en twee oren). Veel gebruikt voor wijnen uit de Provence, echter zonder oren.

AMSTERDAMMER

Cilindrische likeurfles met lange gladde hals, ongeveer even lang als het lichaam. In diverse maten en kleuren glas. Kenmerkend is de (platte) band om de monding. Behoort tot de familie van de langhalzen.

ANGSTER (hist):

Fles(je) dat geliefd was in Duitsland (17e eeuw). Bestaat uit enigszins ui-vormige buik en twee tot vijf dunne gestrengelde halspijpen, die uitkomen in een mondstuk. Wordt ook kuttrolf genoemd. Zie aldaar.

APOLLINARIS (f):

Handelsnaam voor limonade en/of bierflesje met regelmatig aflopende schouders en een inhoud van 30 cl. Ook wel "pijpje"genoemd. Het woord is afgeleid van de verpakking van de Duitse mineraalwaterfirma Apollinaris, die aanvankelijk deze flesjes gebruikte.

APOTHEKERSFLES (g):

Algemene benaming voor meestal cilindrische flessen met vaak brede (wijdmonds) monden en korte (soms ontbrekende) hals, bedoeld voor het bewaren van farmaceutische stoffen en geneesmiddelen. Sluiting door middel van glazen stop of rubberen stop teneinde contact met de buitenlucht en/of stof te voorkomen. De grotere maten werden ook wel pakflessen genoemd. Zie aldaar.

ARAKFLES (hist) (i):

Langhalzige cilindrische fles (soms in ladies leg model), waarvan de hals ongeveer even lang is als het lichaam. Arak was vooral in de 18e en 19e eeuw een zeer populaire drank; een mengsel van palmsap (o.a. uit Java) en rum (uit West-Indië). Deze flessen werden o.m. vervaardigd door Deense glasblazerijen voor de Hollandse markt.

ARYBALLOS  Rom (hist):

Kogelvormig flesje met meestal twee oortjes, vooral gebruikt voor geurige badzouten en badoliën.

AZIJNFLES (i):

Verzamelnaam voor huishoudflessen die in een veelvoud van vormen voor kwamen. Onder te verdelen in: verpakkingsglas en tafelgerei. De laatste groep is meestal uitgevoerd in karafvorm en dan samen met een oliefles (zie aldaar) in een houder te vinden.

BABYFLES:
Zie ook zuigfles.

BABYLANGHALS:

Zie langhals.

BALLONFLES (m): Ballonvormige voorraadfles.

BALSAMARIUM Rom (hist):

Eenvoudig vervaardigd tube vormig flesje voornamelijk voor het gebruik van reukmiddelen. Soms met bolvormig onderlichaam.

BALTHAZAR:

Een wijnfles met de inhoud van zestien wijnflessen (12lt.). Gebruikt voor Champagne.

BANDINKTFLES (m):

Cylindervormige inktfles met aan boven- en onderkant van de romp een brede band in de maten 1/1 – 1/2 - 1/4 - 1/8 - 1/16 ltr. (Deze maten staan vaak in de bodem aangegeven) Vanwege de vorm ook wel garenklosje genoemd.

BARBIERFLES (g):

Verzamelnaam van verschillende vormen en kleuren die in gebruik waren bij kappers.

BEAUBONNE (f) (hist):

Een ballonvormige voorraadfles uit de Vogezen c.q. Elzas-Lotharingen. Veelal roodachtig van kleur, soms groen. Voorzien van een afbreektop met gladde of kartelrand. Meestal geen bodempontiel

BEKERGLAS D (m):

Duits: Becherglas. Bekervormige, wijdhalzige fles, vooral gebruikt in apotheken

BELGISCHE FLESSEN (hist):

De catalogus van een glasfabriek vermeldde deze benaming. Deze zijn onder te verdelen in o.a. bier- port- en wijnflessen. (Zie ook Luiker Bourgogne)

BENEDICTINE FLES (hist):

Cilindrische likeurfles met kort, enigszins taps lichaam en lange hals. In Frankrijk sinds de 18e eeuw bekend.

BEUGELFLES (m):

Algemene benaming voor flessen met vooral koolzuurhoudende dranken die met een porseleinen dop en een stalen veer afgesloten worden. In 1875 uitgevonden door Charles de Quillfeldt. Op de dop staat vaak de naam en plaats van herkomst van de drankhandel die de fles in omloop brengt. ook zijn er flessen bekend met daarop de naam van de glashut.

BIBERON (Fr) (g):

Een tamelijk platte, aqua kleurige fles met een tuitvormige monding voor het bijvoederen van lammeren.
Oorspronkelijk verpakt in een tenen omhulsel om breuk tegen te gaan.
Vooral gebruikt in Frankrijk.
De tuit vormige opening van de fles is ontworpen als de uiers van een ooi. De vorm zorgt er verder voor dat de fles niet te ver in de bek van het lammetje kan komen.

BIERFLES (i):

Dit is een verzamelnaam en geen uniforme flesvorm. In de loop der tijden diverse keren aan verandering onderhevig geweest. Bepaalde biermerken hanteren een karakteristieke vorm. Eén catalogus maakt b.v. melding van een "bierflesch, champagne model". Gelijkwaardig: pijpje, pul, eurofles, pint, potje, djogo (Suriname). De Nijkerksche Glasfabriek vermeldt in 1807 een Nederlandse bierfles.

BITTERFLES (i):

Sterke-drankflessen voor allerlei soorten bitters (=medicinale tonicums op alcoholbasis). In de USA veel toegepast tijdens de zogenaamde drooglegging.

BLOEMPOT (Eng: FLOWERPOT) (hist):

Een in het midden brede ronde fles, naar onderen wat taps toelopend. Sterke versmalling naar het halsgedeelte. Vooral in de 18e eeuw veel vervaardigd, o.a. in Sleeswijk-Holstein.

BLUSGRANAAT (g):

Van een korte steel voorziene, rondachtige bal, vaak met geslepen hoeken, gevuld met een dovende vloeistof. Gebruikt vooral in de 19e eeuw om (beginnende) open haardbranden letterlijk uit te gooien.

BOCKSBEUTEL (m):

Karakteristieke wijnfles uit het Duitse Frankenland, met afgeplatte zijkanten en een bijna cirkelvormige buik. Oorspronkelijk voorzien van een oor. Sinds 1728 de officiële fles voor alle Frankenwijnen.

BOLDOOT (i):

Flesje met afgeplatte zijkant(en) en sprenkeldopje. Ook voorkomend in grote, vierkante uitvoering, als groothandelsverpakking voor reukwater, eau de cologne en strohoedenvernis.

BOLLENGLAS (i):

Een voorwerp met een rond, taps toelopend lichaam (voor water) met daar boven op een cuppa (voor de bloembol). Ook wel HYACINTHGLAS genoemd

BOLSFLES (hist):

Cilindrische fles met een lange gladde hals.

BOMBARD (hist):

Met een lederen omhulsel beschermde fles of kruik: sinds de middeleeuwen in gebruik.

BONBONNE (f) (hist)
Zie Beaubonne

BORDEAUXFLES (i):

Specifieke wijnfles afkomstig uit de streken rond Bordeaux: cilindrisch met ronde, kort aflopende schouders. Zie ook Bordelaise

BORDELAISE (hist):
Cilindrische fles met hoge schouders en een korte hals.

BOTTEL (hist):
In onbruik geraakte benaming voor een fles (Eng. bottle, Fr. bouteille) nog aanwezig in de woorden:
-bottelen = op flessen tappen
-bottelier = opzichter over de wijnkelder of drankvoorraad
-bottelaar = iemand die beroepsmatig drank bottelt
-bottelarij = gelegenheid waar dit gebeurt
-bottelbier = bier op flessen.
Ook de woorden botte of butte (hist) hebben hier iets mee te maken (d.i. een vat waarin iets wordt bewaard)

BOURGOGNEFLES (i):
(Fr. bourguignonne)

Wijnfles uit het gebied Bourgondië, met lange aflopende schouders en korte nek, bodem met of zonder ziel. Ook Bourgondische fles genoemd.

BOVRIL FLESJES (Eng) (f)

Flesjes, waarin een vleesextract, dat o.a. in de oorlog tussen Engeland en Frankrijk in 1870 - 1871 als bijvoeding aan Engelse soldaten werd uitgereikt. Later gewoon gebruikt als aroma in soepen.

BRISTOLKRUIKJES (Eng) (plaatsnaam)
 

Glazen sierfles met rond lichaam, aan twee zijden afgeplat. Voorzien van loden of koperen sierrand en stopper. Vervaardigd vanaf begin 19e eeuw als meest bekende product van de grote glasindustrie in Bristol. In het begin alleen gemaakt in het bekende Bristol Blue, maar later ook vervaardigd in diverse heldere kleuren.

BRONWATERFLES (i):

Zie mineraalwaterfles.

BUISJE (m):

Nauw flesje zonder hals of mond, gebruikt voor pillen, tabletten etc.

CACAOFLES (POT) (hist):

Rechtwandige fles met afgeplatte hoeken. Behorende tot de familie der wijdmonden. Werd ook als snuiftabak-fles gebruikt. (Vanaf de 18e eeuw)

CACAOSIROOPFLES (hist):

Cilindrische likeurfles met korte hals, voorzien van verdikte overgang van lichaam naar hals.

CALEBASSEN (hist):

Ook wel kalebasfles d.i. een pompoen vormige fles (18e eeuw), meestal in de vorm van een mandfles.

CALCOENTJE:
Zie kalkoentje


CALVADOS FLES Fr. (hist)

Een in het midden versmallende, cylindrische fles, veelal van donker glas vervaardigd met een dubbele ring om de top. Vooral in de 18e en 19e eeuw gebruikt voor de opslag van de beroemde ciderbrandewijn uit het Departement Calvados.

CANTARO
Sp (hist):
Wijn- of waterfles van ronde of ovale vorm op een breed uitlopende voet, voorzien van twee tuiten, een om te drinken, de andere (wijder) om te vullen. Meestal met een ringvormig handvat waarop een versiering. Tijdens het drinken wordt de fles in de hoogte gehouden om de inhoud met een boog in de mond te schenken, waarbij de duim via de grootste opening de straal regelt.

CASTOROLIEFLES Eng. (i):

Extreem slanke cilinder fraai bewerkt met ruitvormen en gedraaide lijnen. Meestal vervaardigd van aqua of blauw glas.

CHAMPAGNEFLES (hist: schomp) (i):

Robuuste, langhalzige wijnfles met geleidelijk aflopende schouders en wijde mond. 

Standaard maten:
Kwart                        1/4 fles            187 cc.
Half                            1/2 fles            365 cc.
Fles                            1/1 fles            750 cc.
Magnum                    2 flessen          1,5 ltr.
Jerobeam                 4 flessen             3 ltr.
Methusalem             8 flessen             6 ltr.
Salmanazar            12 flessen             9 ltr.
Balthasar                16 flessen           12 ltr.
Nebuchadnezzar    20 flessen          15 ltr.

De grote Champageflessen zijn vernoemd naar Bijbelse figuren. Grote maten waren geliefd omdat champagne zich daarin beter ontwikkelde.

CHESTNUT BOTTLE (m):

Afgeplatte bolvormige fles, qua vorm tussen spawaterfles en een kattekop in. Vooral in de 18e eeuw in de USA geblazen.

CHIANTIFLES It (hist):

Bolvormige fles voorzien van een mandje. Karakteristiek voor Chianti-wijnen.

CODD BOTTLE (KOGELFLES) Eng (o) :

Een door Hiram Codd  in 1870 uitgevonden en ontwikkelde fles met glazen kogel die door interne druk afdicht op een rubber zitting in de flessenhals.
Er volgden snel een groot aantal patenten waarvan er een tiental ook langdurig geproduceerd werden. Veranderingen zaten hoofdzakelijk in de inkepingen of instulpingen in zowel de hals, de schouder en ook in de bodem. Om herkenbaarheid te vergroten werd later de Codd bottle in kleur of met gekleurde top uitgevoerd.

COGNACFLES (i):

Cilindrische fles, die vrijwel overeenkomt met de Bourgondische wijnfles.

COLA of COCA COLAFLES (i):

De karakteristieke ribbelfles met een geknepen welving in het lichaam, wereldberoemd sinds de ingebruikname in 1916. Voordien waren er diverse andere vormen. Ontworpen in 1913 door Earl R. Dean van de Root Glass Co. Er zijn heel wat processen geweest om de rechten van Coca Cola op de typische vorm te beschermen. Cola wordt sinds 1886 bereid, aanvankelijk als middel tegen hoofdpijn.

COMPTOIR (hist):
Zie kantoorinktpot.

CONSTANTIA (i):

Langhals wijnfles, gebruikt voor de Zuid-Afrikaanse Constantia wijn, doorgaans voorzien van een glaszegel. Bekend sinds de 18e eeuw.

DADELFLESJE (hist) (Rom):

In de Romeinse tijd waren dit flesjes uit het oostelijk Middellandse Zeegebied, die waarschijnlijk gevuld waren met zoete dadelolie.
De in een tweedelige vorm geblazen flesjes lijken op een rijpe dadel met een verschrompelde huid. De naad van de vorm werd zorgvuldig weggewerkt in de huidplooien.

DECANTER, DECANTEUR (Eng 18e eeuw):

Flesvormige karaf met stop: vele modellen met meestal vloeiende geleidelijk aflopende lijnen, vaak versierd, gebraveerd of geslepen. Decanteren= een vloeistof langzaam overgieten om bezinksel te verwijderen.

DEMIJOHN, DEMYOHN (hist):

Grote, enigszins bolvormige (mand)fles voor transport en opslag van alle mogelijke vloeistoffen, waaronder wijn (inhoud 5 liter en meer). De oorspronkelijke bolvorm heeft later meer echte zijkanten gekregen. De van oorsprong Arabische naam "damaschan" voor deze fles is verbasterd tot het Franse "Dam Jean" en het Englese "Demijohn". In Duitsland werd in de 19e eeuw nog gesproken van een "Matrozenfles".

DJOGO (hist):

Surinaamse benaming voor een grote zware cylindrische bierfles van 1 liter.

DOP:
Zie fonteintje.

DRUPPELFLES (m):

Verzamelnaam voor medicijnflesjes met een tuitje, soms in combinatie met een glazen stopje om nauwkeurig een bepaald aantal druppels af te meten. Komt in vele maten voor. Ook drupfles, tuitfles.

DUMPY (Eng / Ned) (m):

Dikbuikige fles met korte hals voor wijn, vervaardigd tussen 1650 en 1680 en in het algemeen beschouwd als voorloper van de kattekop.

EAU DE COLOGNEFLES (i):

Algemene benaming voor diverse reukwater- en odeurflessen. De naam eau de cologne is in de 20e eeuw ontstaan toen een firma Glockengasse 4711 in Keulen, haar reukwater zo noemde.

ENGELSE FLES (hist):

Varianten die vermeld worden zijn: Engelse bierfles, Engelsche bierschroeffles, Engelse export bierflesch, Engelsche ale-fles, Engelse azijnfles, Engelsche jeneverfles, Stout nip en Ale nip.

ETALAGE STOPFLES (g):
Zie tentoonstellingsfles.

EUROFLES:

Moderne benaming voor een grote bierfles met korte hals en kroonkurksluiting. Ingevoerd om een standaardisatie in de Europese bierflessen te bewerkstelligen. Tot gebruik op grote schaal, zoals bedoeld, is het echter nooit gekomen.

ESSENCEFLES (hist):

Kan diverse vormen hebben b.v. voor azijnessence plat met ronde schouders en een maatverdeling. Voor vruchtenessence is de vorm rond met een rechte hals.

FALLUSGLAS (m):

Penisvormig flesje, soms ook voorzien van een scrotum, vervaardigd door de eeuwen heen (zie ook Penisflesje)

FIETS- RIJWIEL- GEWEER- NAAIMACHINE-OLIEFLESJES (i):

Platte flesjes met "verzonken" voor- en achterzijde en ronde, horizontale schouders: korte brede hals en wijde monding.

FIGURALE FLES (m):

Engels: figural. Fles geblazen in de vorm van een mens, dier of voorwerp. Bestemd voor de verpakking van b.v. reukwater en likeur.

FIOOL, PHIOLA (hist):

Wijdbuikig, langhalzig (medicijn)flesje. Reeds in gebruik bij de Romeinen. In Nederland vooral in de 16e t/m de 18e eeuw.

FLACON, FLAKON, FLACCON (hist):
Verzamelnaam voor diverse (sierlijk gevormde) flessen en flesjes voor likeur, parfum, inkt etc. Soms dikwandig en voorzien van een metalen sluitingsdop.

FLUITFLES:
Zie Rijnwijnfles.

FONTEINTJE (m):

Drinkflesje aan vogelkooien. De monding van het flesje is gesloten en in plaats daarvan zit onderaan het lichaam een glazen napje.

GARENKLOSJE (m):
Rond flesje, meestal voor inkt, gelijkend op een garenklosje. Bij de inktfabrikant Gimborn werd dit model band inktfles genoemd (zie aldaar). Komt in vele maten voor.

GIFFLES (i):
Zie vergiffles.

GOSE fles (i) (D):

Platte fles met een uitzonderlijk lange hals. Zij komt oorspronkelijk uit de Harz (Goslar). Maar bekend werd zij echter in Leipzig, alwaar zij gebruikt werd voor het beroemde Gose bier. Deze bierfles werd niet afgesloten met een kurk. Maar de lange hals werkte echter als een soort kurk, gevormd door het aanwezige sediment van het hooggistende bier.

GUTTROLF:
Zie kuttrolf.

HAARLEMMEROLIEFLES, HAARLEMMERTJE:

Langwerpige glasbuisjes met een diameter van 1,5 tot 2 cm. In 1698 werd "Oprechte Haarlemmerolie" voor het eerst gemaakt door de schoolmeester "Claes Tilly". Dit opschrift alsmede de Koning Tilly, Wed. Claes Tilly en C.K.T. komen bijna altijd op de flesjes voor. Er bestaat een keur aan imitaties van het "Tilly" flesje, het bekendste hiervan is dat van "Gebr. Waaning".

HAARWATERFLES (i):
Zie luizewaterfles.

HAMER (m):

Eng. mallet. Nederlandse vertaling (niet hist) voor een typische wijnflesvorm, die zijn naam dankt aan een bepaalde hoekigheid van het lichaam (een houten blokhamer met korte steel). Overgangstype tussen kattekop (zie aldaar) en de cilindrische flesvormen.

HAMILTON  Eng (o):

Een torpedo-vormige fles genoemd naar de uitvinder Paul Hamilton.
De Hamilton komt voor in 2 standaardmaten en werd uitsluitend voor limonade en mineraalwater gebruikt. Ze werden gefabriceerd van ca.1860 tot 1920. Een groot gebruiker als Schweppes is altijd trouw gebleven aan de Hamiltons en is nooit overgegaan naar de Codd bottle.
In later stadium is er ook een uitvoering met vlakke bodem gekomen die dus wel kon staan.

HANEPOOTFLES(g):

Een fles met een bolvormig lichaam met een platte onderzijde en een vrij lange hals met een ring er omheen. Vanaf de onderkant van de hals lopen als ribben de klauwen van een haan. Vooral gebruikt als verfraaiing van de tafel, veelal van een bijzondere kleur donker glas vervaardigd. Vooral gebruikt eind 17e eeuw.

HALSRINGFLES (m):

Algemene benaming voor cilindrische flessen met één of meerdere glasringen op de schouder of hals, aanvankelijk bedoeld als opvang voor gemorste vloeistof, later ook versierend element, soms als onderdeel van de flesvorm.

HARINGFLES (POT) (i):

Wijd mondige fles c.q. pot in verschillende afmetingen en modellen. Altijd met ronde schouders en een korte hals, af te sluiten met een glazen deksel. Dikwijls gebruikt voor haring of rolmops.
Later met plastic deksel

HEUPFLES (g):

Algemene benaming voor een afgeplatte fles met een holle kant om (op reis) in de zak mee te kunnen nemen. Vele modellen zijn voorzien van een metalen dop die als bekertje gebruikt kan worden.

HISTORICAL FLASK USA (m):

Platachtige (whisky)fles met op de platte zijden in reliëf een historische (USA)-figuur of –voorstelling. 1e helft 19e eeuw. Vermoedelijk meest verzamelde flestype ter wereld.

HOCK Eng:

Zie moezelwijnfles. Naam is door de Engelsen afgeleid van de plaatsnaam "Hochheim" Duitsland.

HOPFLES:
Stopfles waarvan de stop een kinderhoofdje wordt genoemd.

HORLOGE (m):
Zie bocksbeutel en kinawijnfles

HUISHOUDFLES (g):
Zie voorraad of inmaakfles

HUTCHINSON USA (o):

Cilindrisch sodawater/priklimonade flesje met een door Hutchinson ca. 1875 uitgevonden patentsluiting. Wat voor Europa het kogelflesje/codd bottle was, was de Hutchinson voor de USA.

HYACINTHGLAS:
Zie bollenglas.

HYBRIDE (m):

Een combinatie van een Hamilton en een Codd bottle. De fles heeft dus een torpedovormig lichaam en kogelsluiting van de Codd bottle. Naast Engeland werden ze vooral in Zuid Afrika gemaakt. Ook bij deze fles komt er later een uitvoering met vlakke bodem zoals bij de Hamilton.

IMPERIAL (hist):
Een wijnfles met de inhoud van acht wijnflessen (6lt.). Gebruikt voor Bordeaux.

INKTFLES (i):
Verzamelnaam, aanvankelijk werden wijnflessen (Bordeaux) gebruikt. Later (omstreeks 1930) kwam de karakteristieke vierkante eigen vorm (Neelmeyer, Talens) met brede monding voor schenkkurk. Een andere bekende vorm is de bandinktfles (zie aldaar).

INKTPOTJE, -FLESJE, -KOKER (hist):

Verzamelnaam, komt in zeer veel modellen voor. Engeland is bekend om zijn "figuurvormen". Nederlandse benamingen: penlegger, klokje, neelmeyertje, garenklosje, slofje, strijkijzer en (baby)lang-hals. Veel inktflesjes zijn van een penlegger of penleggers of richel voorzien.

INMAAKFLES (POT), INLEGFLES (g):

Verzamelnaam voor glazen, potten en flessen om etenswaren in te conserveren. Soms met schroefdop of klembeugel (in combinatie met glazen deksel), ook sluitingen met doek of lederen lap komen voor, waartoe de hals dan van een brede rand was voorzien. Uitvoeringen ervan in gres of steengoed zijn ook veel gebruikt.

JACHTWATERFLES (hist):

Flesje bestemd voor de verpakking van jachtwater. Jachtwater was een middel tegen hoofdluis.

JAMPOT (i):
Zie marmeladepot.

JANUSKOPFLES Rom (m):

Malgeblazen pictorale fles, waarbij het lichaam gevormd wordt door twee mannelijke hoofden in reliëf.

JENEVERFLES (i):

Verzamelnaam voor meestal kort halzige flessen waarin jenever wordt bewaard en vervoerd. Hoewel deze flessen zowel cilindrisch, vierkant als rechthoekig waren is de meest bekende vorm, de rechthoekige (taps toelopende) kelderfles (zie aldaar). Vanwege de grote variëteit in opdrukken en zegels een geliefd verzamelobject.
Opm.: voor binnenlands gebruik werd veelal van stenen kruiken of houten fusten gebruik gemaakt, voor export werden de flessen verpakt in de zogenaamde "kelders".

JEROBOAM (hist):

Een wijnfles met de inhoud van zes wijnflessen (4,5lt.). Gebruikt zowel voor Bordeaux,
Bourgogne, Port als Champagne.

JONGERT (o):
Flesvorm ontworpen door Jongert voor de firma OUD. Kenmerkend zijn de bobbels in de hals.
Zie ook Alhambrafles en Knobbelfles.

JOY FLESJE (f):

Karakteristiek, dikbuikig limonadeflesje met kroonsluiting.

KALEBASFLES (m):

Fles voor sterke drank met een buik in kalebasvorm voorzien van een lange slanke hals, inhoud 1/4 gallon, dit is ongeveer 1,25 liter.

KALKOENTJE ook CALCOENTJE (hist):

Buikig wijnflesje met een inhoud van 1/5 liter of minder, de afmetingen van de hals zijn als bij een normale fles, het lichaam is in verhouding zeer klein.
Opm. De overlevering wil dat de fles vernoemd is naar de Hollandse advocaat Willem Calcoen, die op doktersadvies zijn wijngebruik moest beperken tot 1 glas per dag. Door van deze fles gebruik te maken kon hij toch zijn oude gewoonte handhaven, te weten 1 fles per dag. Vermoedelijk echter is de naam afgeleid van het (oud) Franse woord Calqhoun (paardehoef).

KALKSTOPFLES (Ned) (i):

In de stop van deze fles ging ongebluste kalk. Dit trekt vocht aan en de inhoud -waar het om gaat- bleef droog.

KAMEELFLES (ZADELFLES) (m):

Platte fles met glasdraden om de hals. (Zware uitvoering vaak blauwgroen). Het verhaal luidt dat deze fles bekleed met een touw aan het zadel van een kameel werd gehangen.

KANTOORINKTPOT (g):

Stevige, meestal kristallen inktpot met een schuine monding aan de zijkant en daar boven en onder een pennengleuf (soms meer). Bij deze potten hoorde een soort dop, een zgn. pennegeleider, dit om het indopen van de pen te vergemakkelijken en de stofinval te voorkomen.

KAPPERTJESFLES (i):

Cilindervormig flesje gebruikt voor het bewaren van kappertjes. Kenmerkend is dat de bovenste helft van het lichaam een grotere inhoud heeft, dan de onderste helft.

KARAFFLES (m):

Rechtwandig taps toelopend fles(je) voor o.a. vruchtensappen en limonades

KARSEBOTTEL ook KERSFLES (hist):

Fles met een wijde monding en bestemd voor het conserveren van kersen en andere vruchten. Zie ook Morellenfles.

KASTANJEFLES (m):
USA: Chestnut Bottel

Afgeplatte bolvormige fles, qua vorm tussen een Spawaterfles en een kattekop in. Vooral in de 18e eeuw in de USA geblazen.

KATTEKOP (FLES):
Eng. Dutch onion.

Buikige fles met een sterk afgeplatte bodem en korte, taps toelopende hals. Vooral voor wijn gebruikt. Wordt ook wel buikje genoemd. Karakteristieke fles die bij verzamelaars in trek is. Oudere exemplaren zijn vaak "primitief" geblazen, weinig maat vast, scheef en instabiel, verder voorzien van een duidelijk pontilmerk en soms van een glaszegel of cachet.

KEGELFLES(JE)(hist):
Zie karaffles(je)

KELDERFLES, (CELDERFLES) (m):
Eng. Dutch case gin.

Vierkante, taps toelopende breedgeschouderde jenever en likeurfles. De naam is afgeleid van een kelder, dat is een kistje met twaalf of vijftien vakken waarin de flessen rechtopstaand vervoerd kunnen worden. Typerende fles, één van de meest verzamelde ter wereld, niet in de laatste plaats vanwege opdrukken/fabrieksmerken en/of glaszegels.
Opm. Volgens het Nederduitsch Taalkundig woordenboek is een kelder: "een houten kistje waarin flesschen met sterke wateren opgesloten worden".

KEGELFLES(JE) (hist):
Zie karafflesje.

KERKEBOL:
Zie ordinaal

KERK(JE) (m):

Klein, vierkant Oost-Indisch- of tekeninkt flesje, met oplopende schouders en in verhouding brede cilindrische monding.

KEULS FLESJE (hist):

Ui-vormig limonadeflesje met "sinaasappelhuid".

KINAWIJNFLES (g):

Nederlandse versie van de bocksbeutel. Door diverse firma’s gebruikt voor een kininehoudende wijnsoort, waaraan een geneeskrachtige werking werd toegeschreven.

KLOKJE (m):
Benaming voor een klokvormige fles, die meestal als inkt- of lijmpot werd gebruikt.

KLOMPFLES (m):
Eng. Boot bottle.

Typisch gevormde, breed uitgeblazen en aan beide zijden afgeplatte fles. Lijkt op een klomp. Vermoedelijk van Nederlandse origine (laat 17e eeuw). Later werd deze naam ook wel gebruikt voor klomp vormige inkt- en parfumflesjes.

KNIKKER(INKT)FLES (m):

Niet te verwarren met de limonade-kogelfles. Inktflesje met in de (lange) hals een glazen knikker, teneinde daar een reservoirtje te laten ontstaan voor het vullen van een pen. Types bij Gimborn zijn: Langhals en Babylanghals. Ook in gebruik bij de firma Waterman.

KNIJPFLES (m):
Zie kuttrolf.

KNOBBELFLES (m):

Fles, genoemd naar de "knobbels" of ringen rond de hals. Ontwerp: Jac. Jongert. Geproduceerd vanaf ongeveer 1920, meestal machinaal. Er zijn vijf verschillende maten. Zie ook Alhambrafles.

KOETJE (m):

Klein plat flesje met ring om de hals en een afbeelding van een koe met een bel. Werd gebruikt voor melkproducten.

KOETSIERSFLES (g):
Zie heupfles.

KOFFIE-EXTRACTFLES (hist):
Geen speciale vorm. Zie ook essencefles.

KOGELFLES, KNIKKERFLES (zie ook Codd Bottle)(m):
   
Verzamelnaam voor diverse soorten limonadegazeuseflesjes die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat de sluiting door een glazen knikker of kogel bovenin de hals tot stand komt. Deze bleef door de gasdruk van de vloeistof tegen een rubberen ring, bevestigd in een uitsparing onder de monding van de fles, zitten. Een zware, niet licht breekbare fles, vaak voorzien van opdrukken in de vorm van letters of symbolen. In de hals bobbels of ribbels waar de kogel achter moest blijven steken bij het uitschenken van de fles. Er waren speciale houten openers in de handel voor het omlaag duwen van de kogel.
In Vlaanderen wordt dit flesje "saffarke" genoemd

KOLF, KOLFFLES (m):

Bolrond of ei-vormig glazen var met rechte of gebogen hals (laboratorium doeleinden). Enige types zijn: kromhals, spitskolf, platbodem- en rondbodemkolf, driehalskolf.
Kolffles = fles in de vorm van een kolf.

KORT-DIKKERTJE (m):
Eng. dumpy.

Verzamelnaam voor vrij korte, kleine brede fles, die voor diverse dranken is gebruikt.

KRAAMFLESJE (hist):

Rond of (zes)kantig flesje, korte schouders en kleine opening. Inhoud "muizenkeuteltjes"(muisjes), een bekende traktatie tijdens de kraamvisite. Blank glas, veelal beschilderd, bekend vanaf de 19e eeuw.

KROMHALS (hist) (m):
Gebogen kolf of kolffles (zie aldaar)

KROPFLES (m):

Fles met onder de monding een ronde krop

KRUIKFLES (m):

Hoge cilindrische fles qua vorm geheel overeenkomend met de bekende stenen kruik.

KUTTROLF of GUTTROLF (hist):

Fles met bolronde romp en lange hals, gevormd uit twee tot vijf ineengestrengelde holle buisjes, die in een mondstuk samenkomen. De vorm is waarschijnlijk van Oosterse origine (3e eeuw - Syrië). Vermoedelijk om uit te drinken, hoewel de vloeistof slechts druppelsgewijs uit de fles komt. Gutta (lat.)=druppel. Zie ook angster.

LABORATORIUMFLES (g):
Algemene benaming voor glaswerk en flessen uit laboratoria, gebruikt voor diverse chemische vloeistoffen.
Opm. pipetfles, spuitfles, Woulffsefles, Erlenmeyer, kolf etc.

LADIES LEG (m):

Zie ook langhals. Variant op de langhals. Zeer typische cilindrische wijnfles met kort lichaam en in verhouding daarmee lange hals, die dan de vorm van een vrouwenbeen moet hebben. Een naam die door verzamelaars aan bepaalde typen langhals flessen is gegeven.

LAMSBOUT (hist) (m):

Fraaie voorraadfles met een vlakke zijde (achterkant), op de bolle zijde (voorkant) dikwijls versierd met opschriften of beschilderingen. Zij stonden op planken in horecagelegenheden zoals proeflokalen en waren niet voor transportdoeleinden bestemd.

LANGHALS (hist) (m):

Ook de namen "langhals schuimborsten" en "Oost-Indische langhalzen"zijn als historisch
aan te merken. Verzamelnaam voor alle flessen met in verhouding tot het lichaam een lange hals. Deze hals kan verschillende vormen hebben (zie ook ladies leg). Beroemd is in dit geval de Constatinawijnfles met glaszegel. Ook sommige Gimborn inktflesjes dragen deze naam.

LEVERTRAANFLES (i):

Dit zijn diverse soorten stevige flessen voor levertraan(emulsie). vaak vier- of achtkantige flessen met verzonken voor- en zijkanten, voor resp. etiket en firma-opdruk.

LIKEURFLES (i):

Verzamelnaam voor meestal sierlijk gevormde en in vele maten voorkomende fles, soms met maatverdeling op de zijkant. Deze vond men vroeger wel in de keukens van de beter gesitueerden voor het op smaak brengen van gerechten. Vele likeurmerken hebben hun eigen karakteristieke flessen zoals b.v. Bénedictine. Voor tafelgebruik werden zij ook wel per aantal verpakt in een speciaal daarvoor bestemd, mooi afgewerkt, kistje, likeurkeldertje genaamd.

LIMONADE (GAZEUSE) FLES (i):
Algemene benaming voor dikwandige flessen voor allerlei soorten limonade d.i. koolzuurhoudend drinkwater met een aroma voor smaak. In 1840 voor het eerst gemaakt door de Amerikaan Eugene Roussel.

LIMONADESIROOPFLES (i):

Ronde fles voor geconcentreerde limonade. Moest met water op smaak worden gemaakt.

LUIKER BOURGOGNE - LUIKSE BOURGOGNE (hist):

Zie Belgische flessen
De rechter flessen met fraai etiket zijn een 3/4 en 3/8 liter fles. Deze hebben geen ziel, maar een vlakke bodem.

LUIZEWATER-, HAARWATERFLES (i):

Fles met daarin haarwater tegen roos of luizen: ook de term jachtwater werd in dit verband gebruikt.

LUMMEL (hist):

Vierkante fles met vrijwel rechte en zeer dunne wanden, zeer korte hals en brede platte kraag. Ook bekend zonder kraag en met tinnen schroefdop als sluiting (15e, 16e en 17e eeuw). Het is één van de vroegste verpakkingen voor jenever. Maar ongetwijfeld werden ook andere vloeistoffen in lummels opgeslagen.

LYSOLFLESJE (i):

Malletvormig flesje specifiek voor het gebruik van het (oorspronkelijk Duitse) ontsmettingsmiddel "lysol", uitgebracht door "Schulke & Mayr, Hamburg". De schoorsteen van de fabriek in Boston (USA) is in de vorm van dit flesje gebouwd.

MADEIRA (MADERA) FLES (i):

Een relatief kleine fles met vierkante romp en sterk afgeronde schouders, hals en lichaam, ongeveer even lang, soms met glaszegel, "Dry Made(i)ra Wyn" ook "Dry Madeira". De bodem heeft de vorm van een vooroorlogse Nederlandse stuiver.

MAGGIFLES (i):

Vierkante, soms iets bollende fles met lange hals, monding met doseerdop of schenktuit. De naam is afkomstig van het handelsmerk Maggi, die als eerste soep-aroma op de markt bracht. Op de hals zijn in reliëf cijfers aangebracht met een nummering van 0 t/m 6, oudere exemplaren hebben soms een cachet (glaszegel).

MAGNUM (hist):

Een wijnfles met de inhoud van twee wijnflessen (1,5lt) Gebruikt voor zowel Bordeaux.
Bourgogne, Port als voor Champagne.

MALLET (m):
zie Hamer.

MAND(E) FLES (m):

Eng. demijohn-carboy.
Algemeen: flessen die voor extra veiligheid met een mand- of matwerk omvlochten zijn. In het bijzonder grote bolvormige flessen, dikwandig, met een inhoud van 2 tot 50 liter, soms nog groter. werden voor transport en opslag van alle mogelijke vloeistoffen gebruikt o.a. ook voor zuren en andere bijtende chemische stoffen. Maar ook voor b.v. gedistilleerd of wijn.
Opm. De kleine mandflessen tot 25 liter worden in Engeland demi-john en de grotere carboy genoemd.

MARASQUIN, MARASCHINOFLES (i):

Hoge, slanke likeurfles, vierkant of rond, smalle dito romp, vaak voorzien van een glaszegel. Tegen breuk meestal met riet of biezen omvlochten. (de z.g. bematte flessen)
Opm. Bekend is in dit geval de naam ZARA, vroeger de hoofdstad van Dalmatië, nu Zadar geheten, ook in Nederland werd deze kersenlikeur uitgebracht door enige firma’s, o.a. "Bols" en "Levert & Schudel"

MARIE-JEANNE (hist):
Een wijnfles met de inhoud van drie wijnflessen (2,25lt.). Gebruikt voor Bordeaux.

MARMELADE-, JAMPOT (i):

Potten voor vruchtenconfituren, afsluitbaar met deksels, platte kurken en cellofaan/papier, zowel verpakkingsglas als tafelgerei.

MEDICIJNFLES (i):
Verzamelnaam voor diverse soorten flessen en flesjes in de meest uiteenlopende vormen, formaten en kleuren.

MELKFLES (i):
.
Cilindrische, stevige, brede fles met zwak aflopende schouders, korte hals, brede monding, soms voorzien van beugelsluiting.

MEPLATZ

Achtkantige, platte fles met schroefsluiting. In diverse maten en kleuren glas. Gebruikt voor medicijn, levertraan, olie en gedistilleerd.
Zie ook fiets-, rijwiel- en wapenoliefles.

METHUSALEM (hist):
Een wijnfles met de inhoud van acht wijnflessen (6lt.). Gebruikt voor Bourgogne en
Champagne.

MINERAALWATERFLES (i):
Verzamelnaam voor alle modellen flessen met koolzuurhoudend mineraalwater (natuurlijk of kunstmatig). De vroegste vormen lijken op de laat 18e eeuwse bierflessen, cilindrisch, rechte zijden en korte cilindrische hals. Om het ongemak van indrogende kurken te voorkomen werden allerlei constructies bedacht zoals
de Hamilton (een ei- of torpedovormige fles die liggend gelagerd moest worden waardoor de kurk vochtig bleef), de Kogelfles (zie aldaar), de Beugelfles (zie aldaar), de Sifonfles (zie aldaar)
en flessen met interne schroefdraad, waarin een glazen of bakelieten schroefstop werd gedraaid.

MINIATUURFLES (m):

Flesjes met geringe inhoud, meestal kopieën van bestaande grotere flessen.

MOEZELWIJNFLES (i):

Ook wel "hock" genoemd. Speciale wijnfles uit het Duitse Moezel- en Rijngebied met lange, slanke, geleidelijk aflopende schouders. Zie ook Hock.

MORELLENFLES (hist):

Fles met een wijde monding en bestemd voor het conserveren van kersen en andere vruchten. Zie ook Karsebottel.

MOSTERDPOT (i):

Tamelijk brede, meestal wijde potten met brede ribbels en/of horizontale glasringen: meestal tonvormig.

MUIZENFLESJE (hist):
Klein formaat flesje voorzien van emailbeschildering of verguldsel. Ook vierkantflesje met glazen stop die in "keldertjes" vervoerd en opgeslagen werden. Zie kraamflesje.

NAILSEAFLES Eng. (o):

Fles, vervaardigd van met email gevlekt glas; oorspronkelijk witte vlekken op zwart of donkergroen glas, later in allerlei andere combinaties vervaardigd. Eind 18e eeuw ontworpen door de glasblazer John Robert Lucas, de oprichter van de Nailsea Glassworks nabij Bristol.

NEBUCADNEZAR (hist):
Een wijnfles met de inhoud van twintig wijnflessen (15lt.). Gebruikt voor Champagne.

NEELMEYER (f):

Inktfles met vierkante romp en rond aflopende horizontale schouders. De hals is cilindrisch. Komt voor in de maten 1/8, 1/4, 1/2, 1/1 liter. Het model werd voor het eerst gebruikt door Neelmeyer en Co. te Apeldoorn (1880 - 1920): daarna door bijna alle Nederlandse inktfabrikanten.

ODEURFLES (i):
Zie parfumfles.

ODOL-FLESJE (f):

Speciaal voor de firma Odol in 1839 ontworpen mondwaterflesje met een eigenaardige monding. Deze bevindt zich opzij van de top van het flesje, opdat men bij gebruik een beter bereik in de mond had.
Vervaardigd van melkglas.

OLIEFLES (i):
Verzamelnaam voor veelvormige huishoudflessen. Een onderverdeling is te maken in verpakkingsglas en tafelgerei. Deze laatste categorie is meestal uitgevoerd in karafvorm al dan niet samen met een azijnfles in houder.

OORFLES (m):

Drankfles, veelal kruikmodel en voorzien van een oor.

PAARDEHOEF (m):

Wijnfles met aflopende schouders die qua ontwikkeling volgde op de korte gedrongen vorm van de kattekop. De vorm vertoont duidelijk gelijkenis met een paardehoef, voorzien van een kort stukje onderbeen.

PANCAKE (Eng):

Enigszins gedrongen kattekop.

PAKFLES (g):
Grotere apothekersfles. Meestal wijdmonds. Zie Apothekersfles.

PARFUMFLES (i):
Algemene benaming voor flessen in diverse modellen, met als gemeenschappelijk doel het verpakken van parfum, odeur of reukwater. De geschiedenis ervan gaat terug tot in de Romeinse tijd. de Romeinen verpakten in deze flessen ook hun balsem en specerijen. (zie Balsemarium)

PATROONFLES (g):
Zie sifonfles.

PEERVORMIGE FLES D (m):
Dui: Birne

Min of meer peervormige laat-middeleeuwse fles, vooral vervaardigd in Duitsland (15e/16e eeuw).

PENNENLEGGER of PENLEGGER (m):

Verzamelnaam voor een inktflesje met een uitholling of richel om de penhouder op te leggen. Komt in veel vormen voor, vooral vierkant en langwerpig.

PERNODFLES (hist):

Cilindrische fles met middellange hals, vaak voorzien van een glaszegel.

PIXAVONFLES (f):

Typisch gevormd haarwaterflesje met kort lichaam sterk aflopende schouders en in verhouding zeer lange hals.

PLATLUIS (m):
Populaire benaming voor heup- of zakfles (zie aldaar).

PLEMP (hist) (nv):

De naam werd voor het eerst gebruikt door de glasfabriek van J.F. Hofman & Zn. te Rotterdam. Het betreft een gedrongen cilindrische drankfles; de overgang tussen de mallet en de cilinder.

PLUGFLES OF STOPPERFLES Eng (m):

Als voorloper van de Codd bottle werd de fles onder druk afgedicht met een houten of ebonieten stopper met rubberen rand, tegen de glazen hals van de fles.

PORRON (Sp):

Spaanse (vanaf de 18e eeuw bekende) drinkfles met spits toelopende tuit, van waaruit men de wijn rechtstreeks in de mond kan gieten.

PORTFLES (i):

Een algemene benaming voor flessen waarin enigszins zoete wijn wordt gebotteld. Portwijn is genoemd naar de Portugese havenplaats Porto.

POSTELEINFLES (i):

Karakteristieke Nederlandse inmaakfles, voorloper van de overbekende weckfles. Cilindervormig met geleidelijk aflopende schouders, "rolled lip" en wijde monding. O.a. voor het inmaken van de bladgroente postelein.

POT (hist):
Verkorte naam voor de Luiker Bourgogne pot, die lange tijd een eenheidsmaat is geweest. Dit was een groene, bolvormige wijnfles met lage schouders. De officiële inhoud was 1,45 liter volgens een Frans decreet uit 1813. Over het algemeen werd de inhoud echter tussen 1,28 en 1,32 liter aangehouden.

PROEFFLES (g):
Zie monsterfles.

PUL (m):

Thans: cilindrische kort buikige bierfles, meestal met beugel afgesloten. Vroeger: vaatwerk met dikke buik en korte hals.

PIJPJE:
Moderne benaming voor bierflesje met kroonkurksluiting. Zie Apollinaris.

PYXIS (hist):

Doosachtige fles met dekseltje, reeds in gebruik in het oude Egypte, maar vooral in het latere Romeinse Rijk. Bevatte doorgaans cosmetica.

REUKWATERFLES (i):
Zie parfumfles.

REISFLES (g):
Zie koetsiersfles.

REHOBOAM (hist):
Een wijnfles met de inhoud van zes wijnflessen (4,5lt.). Gebruikt voor Champagne.

RIGABALSEMFLESJE (hist) (i):

Plat flesje, ronde vorm soms voorzien van een cachet.

ROOMFLES (i):

Dezelfde kenmerken als een melkfles, maar dan met kleinere inhoud. Zie melkfles.

ROTTERDAMMERTJE (hist):

Cilindrische fles met lange gladde hals, ongeveer even lang als het lichaam.  Ringvormige glasdraad rondom de monding. In diverse maten en kleuren glas. Behoort tot de familie van de langhalzen.

RUMFLES (i):

Taps aflopende ronde fles met een bodemkraag.

RIJKSEIGENDOM (f):

Een ronde fles met een korte hals. Veelal voorzien van een cachet met opschrift "RIJKSEIGENDOM". In gebruik als medicijnfles bij het Nederlandse leger van ± 1820 tot ±1915. In diverse kleuren glas uitgebracht: o.a. zwart, amber, groen, geel en aqua.
De maatvoering was zeer divers: Van 0,05 lt. tot 10,00 lt.

RIJNWIJNFLES (hist) (i):

Ook Rijnsche Wijnflesch. In onbruik geraakte benaming voor de Moezelwijnfles. Zie moezelwijnfles, hock en fluitfles.

SAFFARKE (m):
Vlaamse benaming voor kogelfles, knikkerfles. Zie de omschrijving aldaar.

SALMANAZAR (hist):
Een wijnfles met de inhoud van twaalf wijnflessen (9lt.). Gebruikt voor Champagne.

SCHNAPPSFLES (hist):

Vierkante fles, oorspronkelijk door Duitse handelshuizen op de markt gebracht voor o.a. jenever. Door de Nederlandse distilleerderijen uitgebracht onder de namen "Aromatic Schnapps"en "Schnapps Aromatico".

SCHOORSTEEN (m):

Inktflesje met uitbouw die dienst doet als reservoir. Werd ook wel bocheltje genoemd.

SCHUIMBORSTEN (hist):

Dikwandige fles, vooral bestemd voor champagne, voorzien van stevige glasdraad voor het binden van de kurk.

SELDERIJ-OORKANNETJE (m):

Romeins flesje voor tafelgebruik, schouder en hals vrij geblazen, de mond is tamelijk breed met een naar binnen gevouwen rand, het oor loopt van de rand van de schouder omhoog en wordt hoekig omgebogen naar de hals en met een kam bewerkt. Hierdoor lijkt het oor op een selderijstengel een selderijstengel).

SELTZER (SELTERS) (hist):

Dikwandige, cilindrische fles voor de verpakking van koolzuurhoudend bron/tafel water.

SHAFT & GLOBE (m):

Het oudste type wijnfles (17e eeuw) met lange rechte hals en bol lichaam. Soms voorzien van een cachet (glaszegel)

SIFONFLES (g):

Cilindrische, brede en zware fles met bijna horizontale schouders en korte hals. Werden voor koolzuurhoudend water gebruikt. Voorzien van een metalen hevel (=sifon) met soms daarin een verwisselbare koolzuurpatroon.  Vaak prachtig versierd met fluor- of zandstraaletsen van firmanaam, ook wel eens voorzien van een stalen gaasnetje als extra bescherming. De sifon is in 1813 uitgevonden door Charles Plynth.

SKITTLE (m):

Dikwandig torpedovormig gazeuzeflesje met een ronde bodem.

SLINGERKOGEL USA (g):

USA: Target Ball
Gekleurde bol, veelal gevuld met vloeistof of confetti, door middel van een slingerapparaat de lucht in gegooid om door sportschutters te worden neergeknald. Vormde gedurende zo'n 50 jaar (± 1840 - 1890) de vervanger van de levende duif en was de voorloper van de huidige kleiduif (aardewerk schoteltje).

SNUIFFLES (i):

Kleine flacon bestemd voor het bewaren van snuifpoeder, meestal kunstig beschilderd met bloemen, landschappen vogels of figuren, oorspronkelijk Chinees. Werd niet alleen van glas maar ook van kristal, porselein, jade, agaat of amethist gemaakt.

SNUIFTABAKFLES (g):
Zie cacaofles.

SODAWATERFLES (i):

Zie voor beschrijving de mineraalwaterfles. De naam sodawater is afgeleid van sodium-bicarbonaat dat aan het (bron)water werd toegevoegd om dit beter te laten mousseren.

SPAWATERFLES (i):

Lange tijd een verzamelnaam voor flessen met natuurlijk bronwater. Het water uit Spa genoot zo'n grote bekendheid, dat alle mineraalwater spawater werd genoemd. Vanaf midden 17e eeuw tot eind 18e eeuw werd het echte Spa-water verpakt in typische flessen in een tweetal uitvoeringen:
1 Met een bijna cirkelvormige buik, afgeplatte voor- en achterzijde, de hals cilindrisch en vrij lang,
   soms voorzien van een ring van glasdraad.
   In verzamelaarskringen aangeduid als "tennisracket".
2 Met een dikkere buik en wat kortere hals, soms voorzien van een gekartelde glasdraad.
   In verzamelaarskringen aangeduid als "kalebas"
De flessen moesten liggend worden opgeslagen om uitdrogen van de kurk te voorkomen, ook het (natuurlijke) gas zou dan ontsnappen.

SPINOLIEFLES (hist) (i):

Andere benaming voor de kattekop (zie aldaar). Oliefles, gebruikt tijdens het spinnen van garens, komt echter ook voor in apotheken.

STIEGEL FLASK USA (o):

In de lengte richting geribbeld ovaalachtig, taps toelopend flesje. 18e/19e eeuw.

STOELTJE (hist):

Inktflesje met slechts één uitholling om de penhouder op te leggen. Zie ook: Penlegger.

STOLPFLES (hist):
Een omgekeerde stopfles, afsluitbaar met zowel een kurk als een geslepen stop. Gebruikt om de inhoud goed te kunnen tonen. Ook wel tentoonstellingsfles genoemd. Zie aldaar.

STOPFLES (m):

Grote ronde of hoekige voorraadfles die met een glazen stop kon worden afgesloten. Vroeger in veel huishoudens en winkels aanwezig voor het bewaren van allerlei etenswaren. Vaak met ribbels of bobbels uitgevoerd voor een beter houvast. Zie ook tentoonstellingsfles.

STOPPERFLES
Zie Plugfles

STOUTFLESJE (hist):
Zie bierfles.

STRIJKGLAS (g):

Een cirkelvormig stuk massief donker glas met een vlakke en bolle zijde. Meestal met pontielmerk.
In opgewarmde toestand werd de "strijksteen" gebruikt voor het strijken van -licht vochtig- gemaakte kleding. Luxe exemplaren waren voorzien van een steel.

STRIJKIJZER (m):

Benaming voor een "liggend" inktflesje met een constant inktreservoir in de hals.

SYPHONFLES:
Zie sifonfles.

TAPPIT HEN (hist):
Een wijnfles met de inhoud van drie wijnflessen (2,25lt.). Gebruikt voor Port.

TENTOONSTELLINGSFLES (g):

Stopfles (zie aldaar) gebruikt om waren uit te stallen, de stop dient als voet.

THEEFLES (i):

Een veelal rechthoekige fles, gebruikt voor het luchtdicht verpakken en bewaren van thee.

TIROLER SCHNAPSFLES (g):

Een fles met een (zes)hoekig lichaam met een ingezette hals (de z.g. Duitse tweede dompeling methode). Emaille beschilderd met florale en humane figuren en vaak voorzien van een spreuk in Tirools dialect. Gebruikt bij bijzondere gelegenheden, vooral bij huwelijksplechtigheden. Populair in de eerste helft van de 19e eeuw.

TOKAYERFLES (i):

1 Cilindrische fles, waarvan het lichaam aan de boven- en onderzijde is voorzien van ribbels,  waardoor zij wat op een tonnetje lijkt.
2 Cilindrische fles met een relatief lange, smalle hals met pictorale behakking van een menselijk figuur en het woord "Tokay".

TRUFFELFLES (i):

Taps(e) fles(je), wijdmond, meestal van ondoorzichtig groen/bruin glas. Het lijkt erop of men van een normale fles de hals heeft afgenomen en die als een op zichzelf staande, tapse flesvorm heeft gebruikt. Zij werd vooral gebruikt voor de export van truffels (soort paddestoelen) van Frankrijk naar Engeland.

TUIMELFLACON (hist):

Inktflesje dat ook in een schuine stand geplaatst kan worden.

TUITFLES (m):
Zie druppelfles.

TULPLIKEUR (m):

Likeurfles genoemd naar het model van de fles.

TWEELINGFLES (m):

Sierlijke, meestal gelijkvormige flesjes (soms elkaars spiegelbeeld) die zodanig aaneengesmolten zijn dat er een esthetisch geheel ontstaat, vaak toegepast bij olie- en azijnstellen.

UITJESFLES (i):

Wijdmondse fles voor het inleggen van zilveruitjes, e.d.

UNGUENTARIUM Rom (hist):

Flesje met een ietwat taps toelopend bol lichaam, voorzien van een relatief lange rechte hals. Gebruikt voor zalf en andere smeersels. Deze vorm was vooral in de 1e en 2e eeuw na Chr. populair in het Romeinse Rijk.

URINAAL (g):

Een fles met een brede opening en één vlakke zijde, gebruikt voor het opvangen van urine van een (ziekenhuis) patiënt. Gelet op het onderscheid in de anatomie bestaan er zowel specifieke exemplaren voor het gebruik door vrouwen als door mannen.

VERGIFFLES, GIFFLES (g):

Verzamelnaam voor diverse soorten (vaak kleine) flessen, bestemd voor het verpakken van giftige stoffen. De romp is vaak voorzien van ribbels, bobbels, ruitjes, richels of opvallende symbolen zoals bijv. een doodshoofd. Ook kenmerkend zijn de aparte kleuren: gifgroen en kobaltblauw. Rond 1930 realiseerde men zich dat dit soort flessen juist de aandacht van kinderen trok. Vanaf die tijd werden veiliger sluitingen (dan kurk of stop) aangebracht. Het reliëf op de flessen was ook bedoeld om deze in het donker snel te herkennen.

VICHYFLES (hist):
Zie spawaterfles.

VIERCOMPARTIMENTENFLES (g):
Bolle cilindrische fles, taps toelopend met een zware bodem. De fles is in vier compartimenten verdeeld en kan zo vier verschillende soorten dranken bevatten. Vooral gebruikt voor likeuren.

VIERKANTJE (hist) (m):
Zie kelderfles.

VISNETDRIJVER (g):

Glazen bol, voorzien van een glazen afsluitpost (soms met firmasymbool) om visnetten drijvende te houden. Vooral gebruikt in de tweede helft van de 19e en in de eerste helft van de 20e eeuw.

VOORRAADFLES (g):
Verzamelnaam voor diverse grote flessen die werden gebruikt voor het bewaren van levensmiddelen, soms voorzien van een mand. Zie ook mandfles.

VRUCHTENSAPFLES (i):
Lange slanke cilinderfles met pictorale behakking (van vruchten, ranken, takken e.d.) Gebruikt voor geconcentreerde vruchtensappen.

WARNERS SAFE BOTTLE (Eng):

Ovale fles in bruin en groen voor veel geneeskundige dranken. Met afbeelding van een safe (brandkast). Midden en eind 19e eeuw.

WATERFLES (i):
Zie voorraadfles.

WECKFLES (g):

Brede, schouderloze fles met glasdeksel, voor het inmaken van levensmiddelen, luchtdichte afsluiting door middel van gummiringen, klemmen en verhitting in z.g. weckketel. De naam is afgeleid van de firma J. Weck & Co. uit Oostenrijk, opgericht in 1895, die vooral voor de 1e wereldoorlog een grote afzet had in heel West-Europa, met uitzondering van Engeland.

WHISKYFLES (i):
Verzamelnaam voor diverse soorten flessen voor het z.g. "levenswater". Vaak als zakflacons van dik glas met korte nek, rond geschouderd, versierd met ribbels en knobbels, ook als bescherming tegen breuk. De USA is bekend om zijn vele " figurals", meestal vrij platte flessen met de meest uiteenlopende voorstellingen daarop.
Opm.: Het woord whisk(e)y is afkomstig uit het Keltisch "wisque beatha" hetgeen "levenswater" betekent.

WOELFSCHE FLES (hist):
Zie laboratoriumfles.

WIJDMOND (hist) (m):
Verzamelnaam voor flessen met een wijde monding. Gebruikt voor de opslag en transport van vruchten (al dan niet gedroogd of op sterk water gezet) en zaden. Andere namen in dit verband in archieven aangetroffen zijn:
-Wyemonds celderflessen
-Wytmonden
-Wyemonds pints
-Gentse potten
-Antwerpse potten
Opm.: bij de laatste twee benamingen gaat het om spraakgebruik uit de 18e eeuw in de Zuidelijke Nederlanden.

WIJNFLES (i):
Benaming voor alle flessen waarin wijn wordt bewaard en vervoerd, is in de loop der tijden aan sterke verandering onderhevig geweest, achtereenvolgens shaft and globe, buikje of kattekop, paardehoef, hamer of mallet, cilindrische fles. Bepaalde streken hebben ook hun eigen vormen ontwikkeld zoals: Bourgogne, Bordeaux, Champagne en Rijn-Moezel.

ZAADFLES (i):

Nederlands     Duits                   Frans                 Frans
Grote cilindrische, wijdmondige fles voor het bewaren van zaaigoed.
Opm.: Er zijn ook achtkantige modellen van bekend (zeldzaam). Ook een vroege Nederlandse variant (bekend vanaf de 17e eeuw) werd zo genoemd. De vorm daarvan komt overeen met die van een kattekop (zie aldaar) met een wijde monding.
 

ZAANSE BRUIDSFLES (hist):

Bolle (karafvormige) fles met lange hals. Versierd met opgelegde en gekartelde stroken glas en beschilderd met een bruid en bruidegom en een (Zaanse) molen.

ZAKFLES, ZAKFLACON (g):

Fles voorzien van een holle zijde, wat dragen tegen het lichaam makkelijker maakt. Over de monding bevond zich vaak een wijdere dop, die gebruikt kon worden als drinkbekertje.

ZARA:

Kersenlikeurfles, genoemd naar de hoofdstad van Dalmatië: Zara. ( nu ZADAR geheten). Deze naam kwam voor op de glaszegels van de flessen.
Zie voor verdere beschrijving: marasquinfles.

ZUIGFLES (g):

1 Smalle, langwerpige cilindrische fles met dito hals, soms iets breder uitlopende mond voor het beter vast houden van de zuigspeen. Vaak met schaalverdeling in glasreliëf, ook met ets of beschildering. Vroege exemplaren hebben geen speen maar een opening in de zijkant van het lichaam, hierop kon een vinger gehouden worden voor het doseren van de inhoud.
2 Een andere vorm is een banaanvormigflesje met twee openingen. Eén om te drinken en één om te doceren door met behulp van een vinger de luchttoevoer te regelen

ZUURTJESFLES (i):

Vierkante wijdmondsefles met glazen stop of bakelieten deksel. Gebruikt in snoepwinkels als voorraadfles.

 

KENMERKEN

1. INLEIDING
Bent u geïnteresseerd in antieke gebruiksflessen en wilt u iets weten over de oorsprong en de fabricage ervan? Dan is het noodzakelijk iets te weten over de historie van het blazen van gebruiksglas.
Glasblazers gebruikten in het verleden  verschillende technieken en hulpmiddelen. Enige kennis daarvan is onontbeerlijk om een fles te kunnen determineren. De nagelaten sporen (kenmerken) maken een fles vaak goed herkenbaar
.

 2. TECHNIEKEN EN HULPMIDDELEN
Vanaf de eerste eeuw voor Christus tot het begin van de 20e eeuw gebruikten de glasblazers de blaaspijp. In 1906 werd de Owens-machine gepatenteerd en vanaf 1910 ook in Nederland gebruikt. Deze machine nam geleidelijk aan het blazen van flessen met de mond over.
Wij onderscheiden gebruiksflessen in:
                     

vrij geblazen                                     Cees van Olst         in vorm geblazen                               machinaal geblazen
                                                            in actie

3. VORM OF MAL
Vrij geblazen flessen zijn veelal te herkennen aan hun natuurlijke buik-, peer- of uivorm. Sommige vrij geblazen flessen werden door rollen cilindrisch gevormd of vierkant gemaakt met behulp van een plankje. Een mal kwam er niet aan te pas.
Vanaf het derde kwart van de 19e eeuw werden bijna alle flessen geblazen in een mal
van verschillend materiaal, type of constructie.

In min of meer chronologische volgorde zijn dat:
       

stenen-klei mal   houten mal         ijzeren mal

Eind 19e eeuw was het mogelijk flessen te vervaardigen, waarvan de hals in de mal werd meegeblazen. Alleen de monding werd nog met de hand afgewerkt. Een complete fles kon in de mal worden geblazen vanaf ongeveer 1910.

Vanaf het midden van de 19e eeuw gebruikte men ook mallen opgebouwd uit delen. Veelal werd het lichaam van de fles dan geblazen in een open vorm voorzien van twee halve 'deksels' die, dichtgeklapt, de schouders en de hals gestalte gaven. Met behulp van een ijzeren mal (ongeveer 1860) konden 'boodschappen' (symbolen, tekens of teksten) veel beter worden overgebracht op de fles dan met een perenhouten mal, die door de hitte al snel afsleet.

Circa 1820 vond de Engelse glasfabrikant uit Bristol, Henry Rickett, een mal uit, waar met behulp van een verwisselbaar plaatje onderin, de gewenste teksten bij het blazen in reliëf werden overgebracht in de bodem van de fles.

Vanaf het 4e kwart van de 19e eeuw werd ook de 'behakking' (tekst of figuurlijnen) op de zijkanten van de fles vaak aangebracht met verwisselbare plaatjes.

Resumerend kunnen wij de toegepaste vorm als volgt indelen:
                            

open vorm        scharniervorm tweedelen           scharniervorm drie delen            vorm met wisselplaatje    vorm met losse bodem (Rickett"s mal)

Flessen, die in een scharniervorm zijn geblazen, zijn niet altijd als zodanig herkenbaar. Met name cilindrische flessen werden roterend geblazen. De houten mal werd daarbij voortdurend nat gehouden, waarbij een laagje stoom zorgde voor een zeer gladde afwerking (naadloos). Om dit ook te bereiken bij het gebruik van ijzeren mallen, werd de binnenzijde ingesmeerd met vet.

Waren de houten mallen nog (deels) open, de latere ijzeren waren dat niet. In dat geval was het noodzakelijk om de stoom te laten ontsnappen via uitgefreesde  gootjes in de mal. Dat lukte niet altijd, waardoor in ijzeren mallen geblazen flessen vaak gewelfde zijden hebben. 

4. NAMEN VAN DE FLESDELEN

Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): ziel
Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): glaszegel
(cachet)
Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): hals
Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): bodem
Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): hiel
Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): lijf
Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): behakking
Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): schouder
Lijntoelichting 3 (rand en accentlijn): monding
                                                    

 

4.1 monding of kop
Bij de mondgeblazen flessen was het vormen van de monding (of kop) de laatste handeling. In de loop van de geschiedenis ontwikkelde zich het nodige gereedschap van uiterst eenvoudig tot relatief ingewikkeld. De eisen ten aanzien van de monding werden steeds hoger en liepen parallel aan de ontwikkeling van de kurksluiting tot aan de kroonkurk.

De vroegste gebruiksflessen hadden een monding die tot stand kwam door het simpelweg 'recht' knippen van de opening. Inwendig werd de opening ongeveer rond gemaakt. Het bovenste deel van de fles leek daardoor wat op een kachelpijp.  

Van ongeveer 1650 tot ongeveer 1880 (voor wijnflessen tot op heden) was de kurk de favoriete afsluiting, met ijzerdraad of touw vastgezet aan de glasrand. Deze glasrand vormt meestal een vast deel van de monding.

Voor de wijnflessen werd de glasrand steeds breder (forser). Ook voor de koolzuurhoudende dranken, champagne, bier, priklimonade e.d. werd de flesmonding sterker gemaakt.

Vanaf medio 19e eeuw werd de monding met de rollenschaar gevormd. Met deze schaar kon de glasblazer, nadat extra glas was aangebracht, zowel het inwendige als het uitwendige van de monding vormen.

Vanaf 1873 werd een speciale monding voor het kogelflesje gemaakt, vanaf 1880 voor de beugelfles en vanaf 1890 voor de kroonkurksluiting.
In de USA werden dit soort afsluitingen veel minder gebruikt. Het was daar vooral de z.g. 'Hutchinson spring wire' (vanaf ongeveer 1875), die voor de afsluiting van flessen met koolzuurhoudende dranken zorgde.

De meest bekende vormen van mondingen zijn:
   

afgeslagen        hoedenrand       plat

      
 gerold               taps                     ringvormig         interne schroefdraad

 

4.2 hals
De hals verschilt nogal bij het ene type fles in vergelijking tot het andere. Sommige flessen worden juist gekenmerkt door de vorm en/of lengte van de hals, bijvoorbeeld een zogenaamde
ladies leg.

4.3  schouder
Net zoals bij de hals is ook soms de schouder van de fles kenmerkend voor een bepaald model, bijvoorbeeld bij het Madeira flesje.
Ook was de schouder vaak de plaats waar het cachet werd aangebracht.

4.4  lijf
Vanaf 3e kwart van de 19e eeuw werd het lijf bij uitstek gebruikt om ‘boodschappen’ over te brengen, zoals:
                           

meegeblazen in reliëf   geëtst                emailverf            etiket                       soms cachet

4.5  hiel
De overgang van lijf naar bodem heeft geen opzienbarende kenmerken.
Bij cilindrische flessen is dat standaard uitgevoerd. Sommige vierkante en rechthoekige flessen hebben een schuine overgang. Bij kelderflessen ziet men soms schuine hoekpunten, om de fles makkelijker uit de mal te kunnen trekken.

 

 

4.6 bodem
Een flessenbodem kan vlak zijn of een ziel hebben, in beide gevallen kan een pontielmerk aanwezig zijn, al dan niet weggeslepen.

Mondgeblazen flessen waren ook na het blazen nog verbonden met de blaaspijp. Voordat deze verbinding werd verbroken, drukte men een hete massief ijzeren staaf (hechtijzer) of een andere blaaspijp tegen de onderkant van de fles.
De blaaspijp werd losgemaakt (getikt) van de fles en de monding kon worden gevormd. Daarna verbrak men weer de verbinding tussen het hechtijzer/blaaspijp en de bodem. De afdruk die het hechtijzer daarbij achter heeft gelaten wordt het pontielmerk of kortweg pontiel genoemd. Bij gebruik van een blaaspijp als hechtijzer ontstaat een ronde afdruk, ook wel ‘open pontiel’ genaamd. Soms ontbreekt bij geblazen glaswerk een pontiel. Dit komt, doordat de monding of niet werd afgewerkt, of 'koud' werd afgewerkt. Soms werd het pontielmerk weggeslepen, b.v. voor de stabiliteit bij een vlakke bodem of bij luxe tafelglas of laboratoriumglas. Voor de gewone gebruiksfles vormde het pontiel normaliter  geen probleem omdat het was 'weggestopt' in de ziel.

Wat is de functie van de ziel van de fles?
Er bestaan diverse redenen:
- een vlakke bodem is moeilijk te maken;
- de ziel maakt de fles sterker;
- de ziel verkleint onzichtbaar de inhoud (de bekende Luikse fles ‘bouteille voleuse’);             
- de ziel verzamelt het droesem van de wijn;
Ook het gebruik van een hechtijzer maakte een ziel in feite noodzakelijk.

De ziel kan op drie manieren gevormd worden:
- uitdrijvend (rollend) m.b.v. een vijzel
- indrukkend m.b.v. hechtijzer/blaaspijp
- indrukkend m.b.v. bodemplaat in de vorm

Het uitrollen van de ziel met een vijzel, de vroegste techniek, laat vrijwel geen sporen na. Dat is wel het geval als het hechtijzer werd gebruikt voor het indrukken van de ziel, of het hechten daaraan. Het uitrollen en het daarna overnemen met een hechtijzer, hetgeen gebruikelijk was, liet dus wel sporen na.
Het gebruikte hechtijzer kon stomp of scherp van vorm zijn, ook smal of breed, soms voorzien van een beetje glas, of voorverwarmd zonder glas.

De gebruikte techniek had te maken met het feit, dat men enerzijds een goede hechting wenste (denk aan zware flessen). Anderzijds wilde men natuurlijk deze verbinding gemakkelijk kunnen verbreken. Ook waren er verschillende flesdiameters of wenste de klant een afwijkende ziel (b.v. een brede ziel bij  wijnflessen). Een breed hechtijzer met een te sterke hechting kon dan een probleem vormen. Er waren in dat geval twee oplossingen:
Of de kop van het hechtijzer opsplitsen in vier delen (kruispontiel) of nadat het hechtijzer in glas was gedoopt, het hete glas overdekken met zand. In beide gevallen werd de hechting kleiner en bleef de diameter groot genoeg.
Werkbesparend was de methode om de blaaspijp te gaan gebruiken als hechtijzer. Deze werkwijze hield in, dat na het verbreken van de verbinding tussen de blaaspijp en de monding, het achtergebleven cirkelvormige glasrandje aan de kop van de pijp nog voldoende hechting gaf bij aan- of indrukken van de bodem.

Ook flessen die in een modernere vorm, met meedraaiende bodem werden geblazen, werden nog jarenlang op die manier overgenomen.
Deze vorm van hechting is gemakkelijk te herkennen: de cirkelvormige afdruk heeft dezelfde diameter als de monding van de fles.

Voor verzamelaars kan het verder nog van belang zijn om te weten dat het gloeiende ijzer van het hechtijzer aan de oppervlakte oxideert. Als er een beetje van dit ijzeroxide contact maakt met het eveneens gloeiende glas, dan verkleurt dat glas vaak roodachtig/zwart en in bepaalde gevallen zelfs witachtig.

Na ± 1870 werden de flessen niet meer overgenomen op de boven omschreven manier. Daarvoor in de plaats gebruikte men de z.g. opdrijftang, die nauwelijks  sporen naliet.
                    

open pontiel      ijzerpontiel       zandpontiel       weggeslepen pontiel    kruispontiel

Fabricagewijze

type

hechting

pontielmerk

hechting

open pontiel

met glas

ruw glasrestant

blaaspijp

ijzerpontiel

heet gestookt

glad glasrestant

massieve staaf

kruispontiel

heet gestookt

glad, kruisvorm

gespleten staaf

zandpontiel

glas + zand

ruwe zandafdruk

massieve staaf

weggeslepen pontiel

met glas

glad/hol slijpsporen

massieve staaf of blaaspijp


4.8  glaszegel of cachet

In Engeland en Duitsland werden de wijnflessen al in de tweede helft van de 17e eeuw soms voorzien van een glaszegel: een naam, symbool of jaartal gaf de fles cachet en daarmede ook de eigenaar of glasblazer. Merkwaardigerwijze verschenen op de vaderlandse  kelderflessen pas vanaf het 2e kwart van de 19e eeuw glaszegels: ruim 150 jaar later dan op wijnflessen! Kennelijk had zo’n karakteristieke fles al cachet genoeg van zichzelf.

Een uitzondering daargelaten was het - na de intrede van de automatische flessenmachine - gedaan met de opgelegde glaszegels. Sommige fabrikanten lieten echter een zegel meeblazen in de vorm.
Het cachet werd meestal op de schouder van de fles aangebracht, soms echter ook op het lijf. Bij mondgeblazen flessen werd er op de fles een flinke druppel glas aangebracht. Daarna werd met een ijzeren stempel de druppel ingedrukt, waardoor een naam en/of afbeelding in reliëf op de fles verscheen.

4.9 behakking

De behakking is de aangebrachte tekst of afbeelding op een fles, meestal op de zijkant maar soms ook in de bodem of op de schouder.
De naam 'behakking' is afkomstig uit de flessenfabricage.
De letters en/of lijnen werden en worden door de ciseleur in een vorm 'gehakt' met behulp van een soort beitel. Het resultaat op de fles kreeg dezelfde benaming als het 'hakwerk' in de malwand: behakking.
 

5. KLEUREN
De kleur van een gebruiksfles werd in hoofdzaak bepaald door de verontreinigingen in de grondstoffen; zand, potas en/of soda. De samenstelling van het zand is daarbij typisch streekgebonden. De in het zand voorkomende metaaloxiden verschillen van streek tot streek en van land tot land. Als het glas niet kunstmatig ingekleurd werd, bepaalden deze metaaloxiden in hoofdzaak de kleur van het glas. Deze natuurlijke, wat groenig blauwe kleur noemt men ‘aqua’.

Het wat typisch groene natuurlijke glas staat internationaal bekend onder de naam ‘waldglas’ naar de glashutten in de Duitse bossen.
De helderheid (doorzichtbaarheid) werd in hoofdzaak bepaald door de wijze waarop het glas werd gesmolten. Een houtgestookte oven leverde helder gekleurd glas op; een kolengestookte oven donker gekleurd glas (“zwart” glas). Eerst gebeurde het zwart worden van het glas nog per ongeluk door het inwaaien van stof in de kolengestookte ovens. Maar toen men ontdekte, dat de flessen er sterker door werden, geschiedde de toevoeging van kolenstof regulair. Soms ziet men zwarte flessen met sterk blauwe glans, dat is het gevolg van de aanwezigheid van (metaalbevattende) kolenslakken in het glasbad.

De Romeinen beheersten reeds de techniek van het maken van kleurloos glas. Maar het duurde tot de tweede helft van 19e eeuw, voordat men hier overging tot het vervaardigen van kleurloze gebruiksflessen. De afvoergassen van de kolen mochten het glasbad niet bereiken, terwijl de natuurlijke kleur van het glas geneutraliseerd werd met bruinsteen (mangaanoxide).

Al vanaf de tijd van de Egyptische beschaving werden metalen toegevoegd aan het glasbad om het glas te kleuren, b.v. mangaan (violet), ijzer (groen), koper (blauw), goud (rood), uranium (annagroen) etc. In de 20e eeuw is men overgegaan op chemische kleurmiddelen.
       

groen                  zwart                  blank                  blauw                 rood

 

6. KWALITEITSAANDUIDINGEN

Vooral voor de verzamelaar is de kwaliteit van de fles minstens zo belangrijk als de vorm of de leeftijd. Een eeuwenoude fles mag best sporen van gebruik en/of ouderdom vertonen.
Net als bij andere verzamelobjecten (b.v. postzegels) worden aan gebruiksfessen ook kwalificaties gegeven. Chips, barsten, sterretjes, aantastingen door zouten of zuren bepalen de kwaliteit, maar een echt meetbare standaard bestaat er niet voor:
  

prachtig            zeer goed         goed                  ruim voldoende  voldoende        matig                 onvoldoende
excellent
 

7.  BIJZONDERE KENMERKEN

De invloed van de tijd heeft sommige flessen 'mooier' gemaakt, veelal veroorzaakt door het effect van de irisatie. Weer andere flessen zijn verkleurd door de invloed van het licht. Andere effecten zijn het gevolg van een bepaald productieproces; een ongewilde afwijking van 'toen' is daarom gewild ten tijde van 'nu'.

IRISATIE wordt veroorzaakt door de inwerking van bodemzuren of -zouten op het glas in een vochtige omgeving. Dit veroorzaakt een omzetting in een – in het glas aanwezige -  carbonaat (b.v. kalium of natrium). Het carbonaat lost op, terwijl stoffen als calcium en aluminium achter blijven. Zij  reflecteren het licht in vele kleuren.

 

VIOLETTE kleur (amethist):
Sommige flessen, van oorsprong kleurloos, verkleuren onder invloed van zonlicht, naar violet. Dit verschijnsel heeft als achtergrond het niet volmaakte productieproces. Toen de vraag naar kleurloze flessen in de 2e helft van de 19e eeuw toenam, werd een ontkleuringmiddel, meestal bruinsteen (mangaanoxide) toegevoegd. Te veel daarvan veroorzaakte later onder invloed van het  zonlicht een violette kleur.
Overigens waren de Romeinse glasblazers reeds in staat kleurloos glas te vervaardigen!

 

BELLETJES en BLAZEN in het glas (grote bellen zijn blazen) werden veroorzaakt door een minder goede loutering van het glasbad. Ook door een onvoldoende verwarming van het glasbad (geldbesparing!) bleven luchtbelletjes in het glasbad hangen.

ZEEGEWASSEN:
Flessen, die lange tijd in zee gelegen hebben, vertonen vaak een witachtige oppervlaktekleur, wat satijnachtig. Het zeewater dringt door in het glas en ontbindt daar de aanwezige soda. Na het drogen krijgt de fles dan een melkachtige uitstraling.


8. ECHT OF NAMAAK

 

8.1 Schud- en schuurmethoden

Het is jammer, dat er verzamelaars zijn, die door middel van schud- en schuurmethoden (”tumbling”) de fles er als nieuw uit willen laten zien. De historische sporen gaan daardoor verloren en dat werkt weer vervalsingen in de hand. In dit geval gaat het natuurlijk wel om een echte antieke fles.

 

8.2 Oude wijn in nieuwe zakken

Op diverse plaatsen zijn antiek uitziende flessen (vrijgeblazen, pontiel) te koop, die echter qua leeftijd nog splinternieuw zijn. Soms wordt b.v. oude cognac of armagnac in een nagemaakte oude flesvorm gedaan en wordt het geheel als zijnde antiek verkocht.

8.3 Kameel- en waterflessen

Een apart gevel vormen vaak de “Perzische kameel- of waterflessen”. Deze  mondgeblazen flessen - uit landen als Afghanistan – zijn van een misschien wel 1000 jaar oud model. Hun vormen tezamen met de kunst van het kiezen van de juiste stenen en plantenresten, plus natuurlijk het geheim van de glasblaaskunst werden steeds van vader op zoon werden overgeleverd.

Zijn dat nu originele exemplaren, kopieën of vervalsingen?
Het zal duidelijk zijn:  hier worden geen vervalsingen gepleegd. Kopieën zijn het ook niet: het zijn immers geen nabootsingen van flessen uit een andere cultuur of andere tijd.
Men moet hier dus van originele flessen spreken!
Dat kwaadwil­lende of ondes­kundige handelaren ze vervolgens als antiek in de westerse wereld proberen te slijten heeft niets met de oorspronkelijke origi­naliteit  te maken.

8.4 Romeinse flessen

Een ander voorbeeld: in een fabriek in Duitsland worden "haargenau" Ro­meinse flessen nagemaakt. Men kan zelfs uit een zeer fraai uitgevoerde kleurenfolder zijn keuze maken.

Ook hier is geen sprake van vervalsing: de fabriek pretendeert niet origineel Romeins glas te leveren doch slechts goede kopieën en zij merkt en dateert zelfs de vervaardigde stukken.
En ook hier geldt, wat anderen er later mee uithalen doet aan de oorspronkelijke status van kopie niets af.

 8.5 Het valt (nog) mee!

In zijn algemeenheid valt het aantal vervalsingen valt in vergelijking met de meeste andere antieke verzamelobjecten nog mee.
In Europa beperkt het euvel zich voornamelijk tot de Romeinse flessen, die vooral in het Midden-Oosten geblazen worden. Maar ook de eerste vervalste kattekoppen zijn al gesignaleerd. In Engeland worden met name zeldzame kogelflesjes en wijnflessen met cachet nagemaakt.

8.6 Verdere analyse

Nu zijn vervalsingen in het glas met mo­derne technieken in een laboratorium waarschijnlijk snel aan te tonen; maar hoe kom je als aspirant koper zonder al die hulpmid­delen er achter; echt of namaak?
In de praktijk blijkt volledige zekerheid nauwelijks haalbaar, maar men kan een eind komen.
Een gezonde portie wantrouwen tegen een al te aantrekkelijke aanbieding is bijvoorbeeld al een aardig begin.
Zijn er aanknopingspunten? Kijk eens naar de rest van de handel:  als de kraam of winkel vol staat met perfecte antieke flessen, kan het duiden op een partijtje namaak.

Een gesprek over de aangeboden fles en zijn vindplaats geeft vaak al een aardige indicatie. Koop bij twijfel nooit, maar vraag - indien mogelijk - om een "second opinion". Vaak is meer des­kundigheid bij onze vereniging te vinden.
Dat is ook één van de redenen om een flessenverzamelaarsvereniging op te richten: eenieder weet een beetje, maar samen weten we veel!

8.7 Hoe worden flessen vervalst?

Men probeert nageblazen flessen echt te doen lijken door de inwerking van Vadertje Tijd (klimaat,bodemzouten en -zuren) te imiteren met behulp van o.m. de volgende methodes:
-  een zuurbehandeling;
-  bewerking met in vloeistof opgeloste metalloïde zouten;
-  het gedurende langere tijd laten rondwalsen van een fles in heel fijn zand;
-  het beschilderen van het flesje met een uiterst fijn penseeltje, o.a. paarlemoerkleurige nagellak wordt hiervoor gebruikt;
-  het imiteren van het algehele irisatie effect door lakach­tige verontreinigde oplossingen.
 

8.8 Waar kunnen we verder al zo opletten?

- indien aanwezig, is een goed hulpmiddel het z.g. "af­bladder­effect" bij geïriseerde flessen. Bij het oppakken blij­ven dan van die uiterst dunne velletjes verweerd glas aan de vingers kleven. Dit effect is tot op heden niet te vervalsen gebleken. Omgekeerd wil het niet zeggen, dat als een flesje niet bladdert, het dus vervalst is. Niet iedere antiek fles is immers aangetast.
Voor iemand met gevoelige vingers (ja, inderdaad het beroemde "Fingerspitzengefühl") is het inderdaad mogelijk te voelen of een flesje echt is of namaak, vooral als een soort­gelijk echt flesje ter vergelijking aanwezig is.

- een "vergeten" stukje bij kunstmatige veroudering is nog wel eens het pontielmerk. Indien de fles nog heet aan de stang ter vervalsing bewerkt wordt, zal het pontielmerk – na het afbreken van overnemende staaf - een helder oppervlak te zien geven in duidelijke tegen­stelling met de rest van het glas.

- ook de binnenkant geeft nogal eens aanknopingspunten. Als de vervalsing alleen aan de buitenkant is aangebracht zal de binnenkant nog te glad zijn.
Let wel: de binnenkant is vrijwel altijd al gladder dan de buitenkant!
De inwerking van de omgeving vindt sterker aan de buitenzijde plaats, terwijl ook vaak de binnenzijde beschermt wordt door de erin geraakte modder
- de aanwezigheid van slijtsporen op de onderzijde van vooral zwaardere gebruiksflessen. Flessen waren vroeger relatief duur en werden dus normaliter maximaal hergebruikt. Dit vele ge­bruik veroorzaakt krasjes aan de onderzijde van de fles.
N.B. Het omgekeerde is natuurlijk niet altijd waar; geen slijtage, dus vals! Een fles kan na eerste gebruik b.v. in de modder gegooid zijn.

8.9 Gerestaureerde flessen

Het is ook oppassen geblazen met expres foutief gerestaureerde flessen. In feite heeft dit niets met restauratie te maken, maar worden kostbare  kenmerken samengevoegd met eenvoudiger materiaal; b.v. een eind 19e eeuws cachet op een vroeg 18e eeuwse (gerestaureerde) kattekop.

 8.10 Historische kennis

Historische kennis over de ontwikkeling van de fles is belangrijk.
Zo komen uit Romeinse opgravingen b.v. wel malgeblazen flessen soms zelfs met letters c.q. cijfers erop, maar uit latere opgravingen tot aan de 19e eeuw toe zien we juist geen malgeblazen flessen.
Detailkennis m.b.t. pontielmerk, vormingstechnieken, afwerking van de monding, malgebruik, glasdikte, kleurprocédés etc is eveneens van eminent belang.

 
9. SLOTWOORD

Wij hopen, dat u veel genoegen heeft mogen beleven aan het lezen en/of bestuderen van “DE FLESSENLOODS”, een uitgave van verzamelaarsvereniging “DE OUDE FLESCH”.

Uw opmerkingen c.q. aanvullingen zien wij gaarne tegemoet via onze website, http://www.deoudeflesch.nl

Niets van bovenmstaande publicatie mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, geluidsband, elektronisch of op welke andere wijze ook en evenmin in een retrieval system worden opgeslagen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van "De Oude Flesch".